Viral yoghurt-cheesecake.
Een nacht in de koelkast en ineens heet het cheesecake — maar zachte koekjes zijn natuurlijk nog steeds geen taart.
Er ging dus een “recept” viral — inmiddels natuurlijk allang niet meer, want viral zijn is een korte piek — maar ik wil het er toch even over hebben. Een bak lekker dikke Griekse yoghurt. Daar duw je koekjes in. Nachtje koelkast. En dan noem je het… cheesecake. Ik moest daar even van bijkomen. Ook weer niet zó lang — ik ben wat gewend.
Maar dan voel ik me dus wel een beetje oud. Of erger: alsof ik ergens in een culinaire toren zit te mopperen. Dat wil ik helemaal niet zijn. Want soms is zo’n viral idee echt goed bedacht. IJs maken van gecondenseerde melk zonder ijsmachine? Technisch gezien gewoon slim. Het wordt machtig ijs, maar het werkt fantastisch. Ging waarschijnlijk ook niet zó viral als dit.
Maar goed. Waarom ging dit wél viral? Dat is al fascinerend. Maar belangrijker: waarom zouden we dit willen? Wat gebeurt hier nou eigenlijk? Je steekt koekjes in yoghurt. Je wacht twaalf uur (of de “snellere” varianten 3-5 uur). En dan heb je — verrassing — zachte koekjes in yoghurt. Dat is geen cheesecake. Ook geen kwarktaart.
Dat is yoghurt met doorweekte koekjes — en dat wist je van tevoren al.
Of het vies is? Vast niet. Of het “zó ontzettend lekker” is, zoals wordt geroepen? Dat betwijfel ik. En nee, ik heb het niet zelf gemaakt. Zonde van de yoghurt. En van de koekjes. Ik zet liever iets anders twaalf uur in de koelkast.
Wat me ook bezighoudt: dit wordt gepresenteerd als een soort makkelijke snack-hack. Maar twaalf uur wachten maakt het per definitie géén midnight snack of snack-hack. Want laten we eerlijk zijn: we hebben allemaal wel eens “iets nodig”. ’s Avonds op de bank. Net uit werk. Of gewoon omdat het dinsdag is. En als je een beetje een bewuste koker bent, heb je niet standaard een kast vol chips en koekjes liggen — want dat gaat op. Dat weet je.
Dus stel: je hebt nog yoghurt. En koekjes. En je denkt: ha! Ik maak hier iets van. Prima plan. Echt. Net zo legitiem als een koekjes met hagelslag ertussen, een lepel pindakaas rechtstreeks uit de pot of yoghurt met overdreven veel hagelslag.
Maar dan moet je dus twaalf uur wachten… De volgende dag is je midnight-snack-probleem volledig verdwenen.
En zit je met een bak yoghurt waarin koekjes hun identiteit hebben opgegeven. Terwijl je nu eigenlijk gewoon vers fruit en muesli erdoor had willen roeren.
Bij tiramisu doop je lange vingers tenminste nog in koffie of alcohol. Er gebeurt iets. Er komt smaak bij. Er ontstaat contrast. Hier gebeurt… niets. Geen suiker, geen citroenrasp, geen vanille, geen jamlaag. Alleen wachten. En dát is het interessante. We zijn blijkbaar bereid om twaalf uur (of tenminste 3-5 uur) te wachten op iets waarvan je vooraf al weet dat het middelmatig wordt. Bonen weken? Te veel werk. Vlees marineren? Gedoe. Stoofvlees drie uur laten sudderen? Geen tijd. Terwijl het principe exact hetzelfde is: iets neerzetten. Weglopen. Klaar.
Het ene levert aantoonbaar meer smaak op, het andere vooral het gevoel dat je hebt meegedaan.
Misschien is dát wat het zo aantrekkelijk maakt. Het ziet er overtuigend uit. Iemand zegt dat het geweldig is. En ergens denken we toch: nou… misschien dan. Geloof me: het is niet per definitie geweldig. Het is yoghurt. Met zachte koekjes. Om daar twaalf uur op te wachten — dát vind ik pas interessant.
Wil je dit dan toch maken? Prima. Maar doop die koekjes eerst in amaretto. Of trek een espresso en laat ze daarin zwemmen. Sinaasappelsap kan ook. Roer wat suiker of citroenrasp door je yoghurt. Bouw smaak op. Laat iets gebeuren.
Maar noem het alsjeblieft geen cheesecake.

